Zichtbaar, onzichtbaar.

Hij lijkt op mij…
Tenminste qua huidskleur dan.
Bij onze ontmoeting voel ik het eelt op zijn hand.
Karakter van jaren, sporen van dagen,
vuil van de afgelopen zomer maanden.
Dakloosheid slaat kraters, op zijn ziel, hij ondergaat het gelaten.
Eén waarbij onze paraatheid wordt geleverd met mate.
De meting waarlangs hij wordt gelegd is met ongelijke maten,
verzwaarde gewichten net zo corrupt als zijn gewrichten.
Elke stap verraad de gebrokenheid van zijn staat.
Het kapotte is niet zijn dakloosheid, het is zijn overheid.
Verdronken in bierblikken, hij kan niet zwemmen,
in een systeem ongeschikt voor levens die zijn versleten.
Liever zien ze hem niet, want dat betekend dat er iets niet klopt.
Dus hij blijft zichtbaar, onzichtbaar in de bosjes bij de Appie XL verstopt.
Hij lijkt op mij…
Veel zijn het bewijs van hoe dichtbij dakloosheid kan zijn.
Eén onopgemerkte incasso, een verkeerde berekening,
Eén foute ruzie met je vriendin, wéér een gemeentelijke belasting.
In hun mis ik het bewijs van onze welvarendheid,
Ik zie wel de afname van onze menselijkheid.
Tilburg hoort aangenamer, warmer.
Deze kant mis ik in onze reclame…
We nemen afscheid, hij pakt zijn spullen en verdwijnt.
Een mens loopt weg, hij lijkt nog steeds op mij.

By | 2017-12-19T20:17:49+00:00 October 20th, 2017|stadsgedichten|0 Comments

About the Author: